Login     



Evaluatie van het non-discriminatiebeleid. Luik interculturalisering van het onderwijs.

Onderzoek

In 1993 engageerden de onderwijskoepels (de “netten”), de vakbonden, de ouderverenigingen en de overheid zich in de non-discriminatieverklaring (NDV) om te werken aan een meer evenredige verdeling van migrantenleerlingen over alle scholen én een interculturalisering van de school ter bestrijding en preventie van discriminatie. Ze werd ondertussen vervangen door de engagementsverklaring “diversiteit als meerwaarde” (februari 2003).

In 1999 liet de Vlaamse minister van Onderwijs nagaan in welke mate deze ambitie in de praktijk gestalte kreeg. Het onderzoek werd opgesplitst in drie deelluiken, die telkens werden toegespitst op vijf gemeenten (Antwerpen, Mechelen, Heusden-Zolder, Vilvoorde en Lokeren) die geselecteerd werden uit de 37 gemeenten waar een non-discriminatieovereenkomst werd afgesloten:

  • Chris Kesteloot (KU Leuven, sociale geografie) onderzocht of de NDV geleid heeft tot een wijziging in leerlingenstromen binnen de gemeente en de mate waarin binnen scholen een meer gemengde leerlingpopulatie ontstond.
  • Ann Olbrechts en Maddy Janssens (KU Leuven, toegepaste economische wetenschappen) analyseerden het proces binnen het plaatselijke non-discriminatieoverleg.
  • Inge Pelemans en Marc Verlot (Universiteit Gent, Steunpunt Intercultureel Onderwijs) gingen na hoe interculturalisering in de school zelf gestalte kreeg. Wat betekent verscheidenheid in deze school en hoe wordt daar mee omgegaan?

Voor het luik interculturalisering van de school werden 3 scholen per gemeente geselecteerd. De selectie van scholen gebeurde op basis van concentratiegraad doelgroepleerlingen (laag, midden of hoog) en net. Binnen elke school concentreerde het onderzoek zich op het eerste en het vijfde leerjaar van het lager onderwijs. De onderzoekster spendeerde telkens een halve week in dertig klassen. Een semi-gestructureerd observatie-instrument werd gecombineerd met een interview met de leerkracht van de klas waarin geobserveerd werd en aangevuld met een summiere vragenlijst voor de leerlingen. In de analyse van de gegevens werd een scherp onderscheid gemaakt tussen analyse van het vertoog van leerkrachten en een analyse van feitelijke observaties. Uitgangsvraag was de vraag in welke mate leerkrachten diversiteit integreren in hun omgang met leren in het algemeen. Tot slot werd ook een analyse gemaakt van interviews met de directies over de relatie tussen school en omgeving. In welke mate incorporeert de school als organisatie de sociale en culturele diversiteit van haar lokale context?

De non-discriminatieverklaring en de gemeentelijke overeenkomsten hebben geen invloed op de interculturalisering van de onderzochte basisscholen. Hoewel uitdrukkelijk opgenomen in de verklaring en in de modelcodes die de onderwijskoepels ontwikkelden komt intercultureel onderwijs ook niet aan bod in het gemeentelijke overleg.

a) interculturalisering in scholen
De onderzoekers stellen een algemene tendens tot homogenisering vast. Scholen meten zich een socialiserende rol toe die sterk vormelijk wordt ingevuld. Gepast leerlinggedrag wordt als een voorwaarde gezien om tot leren te komen. Lesmethodes en klasopstelling geven die homogenisering structureel vorm en de vele terechtwijzingen maken leerlingen constant attent op hoe zij zich moeten gedragen. Sociale en culturele diversiteit wordt naar de rand van het leerproces verwezen.
Scholen met een concentratiegraad doelgroepleerlingen tussen de 30% en 50% later minder diversiteit toe te laten in het klasgebeuren dan scholen met een lage of hoge concentratiegraad. De onderzoekers veronderstellen dat dit samenhangt met een algemeen gevoel van bedreiging die een defensieve reflex oproept. De concentratie doelgroepleerlingen in de klas heeft ook een invloed op de visie van leerkrachten op hun leerlingen. Naarmate leerkrachten meer doelgroepleerlingen in hun klas hebben zitten, zijn ze ook meer geneigd individueel leerlinggedrag te verklaren op basis van de sociale, etnische of religieuze achtergrond van de leerling in kwestie. Verklaringen die verwijzen naar een religieuze achtergrond worden quasi uitsluitend gehanteerd voor allochtone leerlingen, terwijl leerkrachten voor allochtone leerlingen verklaringen in sociaal-culturele termen gebruiken. Tot slot blijkt dat leerkrachten weinig inzicht hebben in en/of belang hechten aan de leefwereld die jongeren onder elkaar ontwikkelen.

b) school en omgeving
Hoewel directies een grote openheid t.a.v. ouders verkondigen, wordt die principiële openheid toch enger ingevuld dan verwacht. Ouders worden vooral passief betrokken bij het schoolgebeuren (infoavonden, …). Als er sprake is van actieve betrokkenheid van ouders, dan blijft hun rol doorgaans beperkt tot hulp bij praktische aangelegenheden. Allochtone ouders worden zelden bereikt. Slechts in één van de onderzochte scholen was sprake van een zekere beleidsmatige betrokkenheid van ouders op de school. Anderzijds doen scholen wel actief beroep op hun omgeving, maar dat gebeurt meestal met een utilitaire bedoeling. Slechts een minderheid van de scholen ziet de omgeving ook als een plaats waar wordt geleefd en waar kan worden geleerd. Bij de geïnterviewde directies treedt overigens een soort bijziendheid op. Hun typeringen van de buurt waarin hun school ligt corresponderen eerdere met de kenmerken van hun schoolpopulatie dan met de feitelijke kenmerken van hun buurt.
 
 

Onderzoeksrapporten / publicaties

Pelemans, I. & Verlot, M. (1999), Evaluatie van het non-discriminatiebeleid. Deelrapport interculturalisering van het onderwijs in scholen. Universiteit Gent, Steunpunt ICO, 117 p.
Verlot, M. (2000), School en omgeving. Over gemeenschapsontwikkeling en relatieve autonomie. Welwijs, 11(1), pp. 13-15
Verlot, M. (2003), Mind the Gap! Cultural Racist Discourses and the Theory of Cultural Discontinuity in Flemish Schools (Belgium). Draft paper voor de ESA conferentie in Murcia, 17 pp.
 
 

      

Onderzoeker(s):

Inge Pelemans - Marc Verlot

Opdrachtgever(s):

De Vlaamse Minister van Onderwijs

Periode

1998-1999